|
De inwoners van Grez vergezelden hun landsheer, Graaf
Werner III toen deze zich, samen met zijn neef Godfried van Bouillon, naar
de kruistochten begaf.
Bij hun terugtocht brachten ze een nieuw wapen mee : de kruisboog.
Vanaf 1152 verzamelden de inwoners van Grez zich in een vakgenootschap
rond de kerk en plaatsten hun gilde onder de hoede van Sint-Joris.
Om hun dorpje te verdedigen tegen plunderaars en eventuele indringers
wapenden ze zich met speren, bogen en kruisbogen.
De gilde was dus vooral godsdienstig geïnspireerd en diende als
zelfverdediging.
De voorvaderlijke schiettradities en eedaflegingen zouden misschien voor
eeuwig verloren gegaan zijn, mochten enkele grezianen in 1978 niet
besloten hebben om deze tradities nieuw leven in te blazen.
Met de hulp van een andere corporatie "Le Grand Serment Royal et Noble du
Sablon" uit Brussel werd de middeleeuwse gilde weer stilaan opgebouwd.
In december 1978 werd "Le Grand Serment Royal des Arbalétriers de
Saint-Georges" terug opgestart en dit onder de hoge bescherming van Zijne
Majesteit Koning Léopold III. Op 1 december 1979 spraken de achttien
eerste leden de eed uit : "Op mijn eer en geweten, ik zweer" en dit als
antwoord op de vraag gesteld door de deken van Grez:
"Door Onze-Lieve-Vrouw, Moeder Gods en door de dappere ridder Joris,
patroon van de boogschutters en volgens de tradities, zweert U getrouwheid
en loyaliteit aan de Grote, Koninklijke Eed van Sint-Joris te
Grez-Doiceau?"
Sindsdien worden elk jaar de nieuwe leden die negen maanden stage hebben
volbracht gedurende de mis op zaterdagavond voor het feest van Sint-Joris
ingewijd.
Omringd door hun familie en vrienden zijn dan aile kruisboogschutters
aanwezig en dit in de voorgeschreven kledij t.t.z. blauwe blazer met
wapenschild en stofriem met de kleuren van de Gilde; dit zijn ook de
kleuren van Grez.
|